Komt Europa terecht in een nieuwe energiecrisis?
“Op dat moment steeg de olieprijs in minder dan een jaar tijd van 3 dollar naar meer dan 12 dollar per vat. Westerse economieën haastten zich om met drastische maatregelen te reageren, waaronder de inmiddels beruchte autovrije zondagen.” – Thomas Kolbe, Duits econoom en journalist
De recente aanval van Israël op Iraanse nucleaire faciliteiten en op het belangrijkste deel van haar energiesector heeft de regionale kaarten geschud. Voor Europa kan de aanval een signaal zijn van het begin van een energiebeleidsramp.
De precisieaanval op het South Pars gasveld markeert een dramatische escalatie van militaire gebeurtenissen. South Pars is momenteel werelds grootste operationele gasveld in de Perzische Golf. Het gasveld is een centrale pilaar van economische stabiliteit in Iran. Door deze faciliteit te raken, heeft Israël een duidelijk signaal afgegeven dat het regimeverandering wil in Iran. Om dit doel te bereiken is het land bereid het risico te nemen dat haar eigen energie-infrastructuur wordt aangevallen.
De aanval van 14 juni op dit gasveld resulteerde in een onmiddellijke sluiting van één van haar vier productie-eenheden. De dagelijkse output daalde met 12 miljoen kuub (m3), een afname van ruwweg 4,4% in de dagelijkse gasproductie van Iran. De jaarlijkse productie bedraagt in totaal ongeveer 275 miljard kuub. Met een binnenlandse gasprijs van rond $ 0,07 per kuub, verliest Iran hierdoor naar schatting $ 840.000 per dag. Dat is een serieuze klap voor de energiesector, aangezien South Pars de belangrijkste energiebron van Iran is.
Iran gebruikt de bulk van haar aardgas voor binnenlandse consumptie, vooral ten behoeve van haar elektriciteitsproductie, verwarming en industriële doeleinden. Slechts ongeveer 10% van haar gasproductie is voor de export bestemd, volgens de National Iranian Gas Company (NIGC). Irak en Turkije zijn haar belangrijkste klanten onder lange termijn contracten. Exporten naar Europa blijven een strategische doelstelling voor Iran. Echter, dit is momenteel van verwaarloosbaar belang vanwege het gebrek aan infrastructuur en vijandige politieke omstandigheden.
De Israëlische aanval leidde tot een onmiddellijke spike in de energieprijzen wereldwijd. Binnen een paar uur steeg de prijs van ruwe olie met 14% naar $ 73 per vat. Het weerspiegelde de marktangst van een regionale escalatie die permanente schade zou kunnen toebrengen aan de energieproductie-infrastructuur.
Alhoewel de wereldwijde LNG-markten minder direct werden beïnvloed, begonnen handelaren een risicopremie in te prijzen voor termijncontracten in olie en gas ter anticipatie van verdere aanvallen op kritische energiefaciliteiten. Als het conflict verdiept zullen energiearme en import-afhankelijke regio’s een zware prijs betalen. Europa in het bijzonder zal worden herinnerd aan de olie-schokken van de zeventiger jaren toen OPEC de Westerse steun voor Israël tijdens de Yom Kippur Oorlog vergold met een productieverlaging van 5%. Hierdoor kwam het grootste deel van het Westen in een recessie terecht. Destijds steeg de olieprijs van $ 3 tot meer dan $ 12 per vat in minder dan een jaar tijd. Westerse economieën kwamen met drastische maatregelen, waaronder de nu beroemde “autovrije zondagen”.
Ondanks decennia van retoriek over energie-onafhankelijkheid blijft Europa zeer kwetsbaar. Ongeveer 58% van de totale energieconsumptie van de Europese Unie moet gedekt worden door importen van buiten het continent. Deze afhankelijkheid maakt Europa vatbaar voor geopolitieke crises, prijsvolatiliteit en aanbodverstoring.
Energiezekerheid is al lang een kernzorg van EU-beleid. Het continent heeft gefaald te ontsnappen uit de geopolitieke wurggreep van de wereldwijde energiemarkt. De Green Deal van de EU, geprezen als een dappere energietransformatie, heeft in de praktijk Europa’s kwetsbaarheid verdiept door versnellende de-industrialisatie en verzwakking van haar industriële basis.
De afhankelijkheid van vooral olie en gas blijft een heet hangijzer. Duitsland, ondanks jaarlijkse investeringen van meerdere miljarden euro in “groene transformatie”, importeert 66% van haar energie. Italië is voor 75% afhankelijk van importen voor haar energiebehoefte, Spanje voor 68%. Slechts een handjevol landen, zoals Estland (3%) en Zweden (26%), kunnen relatieve onafhankelijkheid claimen voor energie.
Voor de landen in de eurozone zou een herhaling van de oliecrisis van de zeventiger jaren een financiële ramp zijn. Dit soort crises drijven mobiel kapitaal richting de dollar, de dominante valuta in de wereldwijde energiehandel. Amerika, met haar grotendeels energie-autarkische economie, zou grotendeels afgeschermd worden van een dergelijke crisis.
Daarentegen is Europa’s situatie breekbaar. De euro is (ook) een fiat valuta gedekt door een uitgever met weinig toegang tot binnenlandse energiebronnen. Bij geopolitieke schokken zou de euro scherp in waarde dalen en zal Europa haar importprijzen zien stijgen. Toenemende energiekosten zouden als een recessie-accelerator gaan werken en de bestaande inflatoire druk verder kunnen opvoeren. Dit zou tot een kapitaalvlucht leiden naar meer energie-zekere jurisdicties. Europa zit gevangen. De politieke eliminatie van nucleaire elektriciteit in Duitsland en het embargo op Russische energie hebben alleen maar de energie-afhankelijkheid van het continent geïntensifieerd.
De EU lijkt verlamd te zijn door deze geopolitieke turbulentie. De oorlog tussen Israël en Iran onderstreept wat al duidelijk was geworden in het Oekraïne-conflict. Ze verliest haar geopolitieke relevantie met hoge snelheid. Het blok speelt weinig tot geen rol in het voorkomen dan wel oplossen van de hedendaagse centrale conflicten. Zonder een fundamentele verschuiving in strategie – een hernieuwde bereidheid deel te nemen in pragmatische diplomatie – ontbeert Europa de tools om een aankomende energieschok aan te kunnen. De EU moet de kunst van het onderhandelen weer aanleren. Haar invloed in de energie-dominante regio’s van de wereld is snel aan het verdampen.